Ik schat hem een jaar of 68. 70, hooguit. De man in botsautootje nummer 1. Zijn dunne grijze haren netjes gebrylcreemd, meer tanden kwijt dan rijk. Goedkope witte sportschoenen en een leverkleurige jas van de C&A. Zo’n velours-achtige die je opa droeg.

Behendig en met zichtbaar plezier rijdt hij zijn rondjes over de botsautobaan. Rondjes zonder iemand te raken. Zonder te botsen. Gewoon rondjes. In botsautootje nummer 1. Voor de diverse etterbakjes op de baan heeft hij geen aandacht. Niet voor het blonde mannetje met zijn petje achterstevoren op zijn hoofd, niet voor het jongetje van een jaar of acht die iets te quasi-volwassen zijn elleboog op de zijkant van zijn botsautootje laat rusten. Zij lachen hem zichtbaar uit. Of het hem niets doet of dat hij het gewoon niet helemaal meekrijgt is niet aan het kinderlijk oprechte plezier in zijn ogen af te lezen. Maar ik gok op het laatste.

Ik sta op de traanplaat aan de zijkant van de autobotsbaan en observeer de man. Ik fantaseer dat hij Jan heet en bij zijn zus woont. Rity. Hij eet vast graag een sucadelapje met bloemkool. En piccalilly. Ja, het is een piccalilly-man. Koffie met melk. Ik vermoed dat zijn zus hem op pad heeft gestuurd om een boodschap te halen, en dat hij van het wisselgeld stiekem een paar muntjes voor de botsautootjes gekocht heeft. Merkt ze vast niet. Ik ben een beetje jaloers op hem. Ik bewonder hem. Die onschuld, dat zichtbare plezier. Het stoempige uitblazen van adrenaline wat ik alleen ken van wielrenners die de Mont Ventoux beklimmen. In de stromende regen. Of zoiets.

Er komt een groepje hangjongeren naast me staan op de traanplaat. Boksbaljongeren die moeten lachen als ze zien hoe hij een nieuw botsautomuntje uit zijn jaszak peutert. Waarschijnlijk zitten er ook van die oude, plakkerige Anta Flu’s in die jaszak, waardoor zijn stiekem gekochte muntjes zich wat moeilijker laten pakken. De man stopt een kleverig botsautomuntje in de motorkap van nummer 1 en rijdt nog een rondje. Alles en iedereen behendig ontwijkend, bang om iemand te raken. Stoempend. Inwendig kirrend van plezier. Tot de diepe, stoffige misthoorn een einde maakt aan zijn laatste rondje geluk. Hij pakt zijn roodgeblokte canvas boodschappentas uit zijn botsautootje en klimt eruit. Mensen lachen om hem. Of lachen hem uit, kan ook. Ik niet. Ik kijk hem na en vraag me heel even af wie er nou eigenlijk gelukkiger is, de oude man van botsautootje nummer 1 of ik.


This post is tagged

One Response

  1. Stefan zegt:

    Mooi verhaal weer Martijn.

Leave a Reply

Categories

Get Adobe Flash playerPlugin by wpburn.com wordpress themes