Deze week is Jeroen gastschrijver op Botergeel. Jeroen is theaterman, vader en soms een klein beetje Peter Pan. Maar gelukkig ook gewoon broer.

Ik doe het al een aantal jaar. Minimaal eens per jaar. En dat terwijl ik er niet eens van hou. Van zand. Strandzand. Het kriebelt. Het komt op plekken waar ik zelf amper kom. Soms smelt het eelt spontaan van je voeten, omdat het zo verdomde heet kan zijn. Maar toch, ik ga. En sinds kort weet ik ook waarom.

Het begon een paar jaar geleden. Op een strand ergens in Zuid Amerika. Ik had weer eens genoeg van alle regeltjes en wetten, maatschappelijke druk om te presteren en sociaal wenselijk gedrag. Iets wat me met enige regelmaat overkomt. En dus vluchtte ik. Weg van dat al. Slecht voor mijn hart. Maakte me veel te druk. Ik weet het, vluchten is geen oplossing. Dat is een van de weinige wijsheden van Epicurus die me zijn bijgebleven van mijn lessen Latijn. Maar vaak is het dat zo’n vlucht zo lekker oplucht. Al is het maar voor even.

Daar op dat strand zag ik oude dametjes hun plooien één voor één straktrekken én houden om toch vooral egaal bruin te worden. Mooie meisjes met hun mooie lijven hupsen en springen tijdens een partijtje beachvolleyball. Stoere jongetjes voetbalden, hun kleine broertjes bouwden luchtkastelen van zand. Met slotgracht en al.

En toen gebeurde het. Ik maakte een kommetje van mijn hand , pakte één klein handje zand en deed het in een leeg  zakje. Zand. Gejat van de plaatselijke – corrupte – overheid. Ik besefte dat ik een enorm risico nam. Gesnapt worden, zou jaren zitten betekenen. Een Nederlander in Zuid Amerika. Een poederig goedje in een plastic zakje in zijn tas. De verhalen van Castro Castro-achtige gevangenissen kende ik, maar het weerhield me niet. Ik deed het gewoon. Stopte het goedje nonchalant in mijn rugzak. En liep weg. Niemand die me zag.

En sindsdien doe ik dat op elk strand waar ik kom. Soms in een apart vakje in diezelfde rugzak. Soms sla ik, voordat ik het strand oploop, de pijpen van mijn broek om en ’s avonds thuis giet ik ze dan voorzichtig leeg , zoals Tim Robbins zo mooi deed.

Nu ik papa ben, wordt het me wel heel gemakkelijk gemaakt. Na een wandelingetje met de kinderwagen schraap ik het van de banden. Het zandkastelenemmertje giet ik bewust niet helemaal leeg als we gaan opruimen om een ijsje te eten. De handjes van mijn zoontjes poets ik heel precies en geduldig met mijn eigen zakdoek.

Waarom? Als ik zo nog een aantal jaar doorga, dan heb ik genoeg zand om mijn eigen eilandje te creëren. En dan bedoel ik niet zo’n flauw Bacardi feesteilandje dat wordt bevolkt met alleen maar mooie, slanke mensen. Dames die zichtbaar hun haar wassen met Andrélon Revitalizing  Prosecco Shampoo met Paardenpisextract. Mannen die niet stiekem hun cupje 75b hoeven te verbergen in een te groot t-shirt. Nee, het gaat mij dan om iets groters. Definitievers misschien zelfs. Ik wil daar dan gaan wonen. Alleen. Of met  gelijkgestemden. Mensen die kiezen om bij mij te zijn om wie ik ben. En ik kies hen. Vanwege hun emotionele waarde, niet vanwege hun financiële waarde.

Weg van de te grote maatschappij, weg van de economische-groei-is-noodzakelijk-cultuur. Weg van de regeltjes van een dakraam dat 2 centimeter hoger moet. Weg van de angst dat je wellicht moet gaan betalen als je een kruisje aan een kettinkje draagt. Weg van de boete omdat je auto 240 seconden te lang op een veel te duur stukje slecht onderhouden stadsgrond heeft gestaan. Weg van het vier maanden tevoren in drievoud indienen van plannen voor een straatfeestje. Ga ik weer… Maak ik me weer te druk.

Vannacht werd ik badend in het zweet wakker. Had ik gedroomd? Een dutpartijtje op het lievelingsstrandje van mijn eigen eilandje in de zon? Of kwam de verkiezingsuitslag nu pas goed binnen?

Ik moet snel maar weer eens naar het strand. Met een grote emmer dit keer.


This post is tagged ,

Leave a Reply

Categories

Get Adobe Flash playerPlugin by wpburn.com wordpress themes